~ A ~
 

  • Adenocarcinoom:
    Kwaadaardige tumor (carcinoom) waarbij onder de microscoop kenmerken worden teruggevonden van klierweefsels. Borstcarcinoom en dikke darmcarcinoom zijn typische voorbeelden van adenocarcinomen.

     
  • Adjuvant:
    Meestal gebruikt in de context van bijkomende therapie, chemotherapie, radiotherapie, hormonotherapie of antistoftherapie om de genezingskansen van de patiënt zo hoog mogelijk te maken. De bedoeling met deze therapieën is de kans op herval zo klein mogelijk te maken.

     
  • ALL:
    Acute lymfatische leukemie. Type van agressieve leukemie uitgaande van de lymfocyten.

     
  • Allogene beenmergtransplantatie:
    Intraveneuze toediening van het beenmerg van een donor aan de patiënt. Het betreft hier een vrij complexe procedure met belangrijke bijwerkingen.

     
  • AML:
    Acute myeloïde leukemie. Type van agressieve leukemie uitgaande van de myelocyten.

     
  • Anemie:
    Bloedarmoede. Tekort aan rode bloedcellen. Indien in belangrijke mate aanwezig oorzaak van vermoeidheid.

     
  • Antistof:
    Een eiwit geproduceerd door het immuunssteem van patiënt. Zij zorgen voor bescherming van het organisme tegen infecties. In de oncologie kunnen ze gebruikt worden als therapie tegen bepaalde tumoren. Voorbeelden zijn Herceptine bij borstkanker, Mabthera bij lymfomen en Cetuximab bij dikke darm- en NKO-tumoren.

     
  • Autologe beenmergtransplantatie (ABMT):
    Intraveneuze teruggave van het eigen beenmerg dat voor aanvang van de behandeling bij de patiënt wordt afgenomen.